Vergroot contrast

Verstrekken van personeelsgegevens in het kader van een due dilligence-onderzoek  

Samenvatting Bij brief heeft zich tot de Registratiekamer gewend de heer B, vestigingsmanager van het bedrijf X te F. In zijn brief beklaagt de heer B zich over het feit dat naar zijn mening zijn privacy en de privacy van de overige personeelsleden van de X vestiging te F is geschonden omdat op in oktober 1999 de heer C van het bedrijf Y personeelsgegevens uit de personeelsadministratie van bedrijf X in F heeft meegenomen en dat de heer D, eigenaar van bedrijf X, personeelsgegevens uit de personeelsadministratie van de X vestiging te G heeft meegenomen. De Registratiekamer heeft in deze zaak geoordeeld dat door bedrijf X is gehandeld in strijd met de Wet persoonsregistraties (Wpr). De procedure die gevolgd is door bedrijf Y in het kader van de zogenaamde "due diligence" geeft de Registratiekamer geen aanleiding tot het maken van nadere opmerkingen.

Achtergrond
Bij brief van 8 mei jongstleden hebben zowel bedrijf Y als de heer D, eigenaar van X, verklaard dat in het kader van een zogenaamd "due diligence" onderzoek, Y een aantal arbeidsovereenkomsten van medewerkers van bedrijf X ter juridische toetsing heeft meegenomen. Bedrijf X beargumenteert dat er hier sprake is geweest van een legitieme doelverstrekking en verwijst daarbij naar eerdere uitspraken van de Registratiekamer met betrekking tot "due diligence". Bedrijf Y stelt tevens dat van de ontvangen informatie geen persoonsregistratie is aangelegd in de zin van de Wpr. Om die reden heeft bedrijf Y, de heer B, die schriftelijk om inzage verzocht ingevolge artikel 29 lid 1, Wpr, middels een brief naar zijn werkgever verwezen.

Oordeel van de Registratiekamer met betrekking tot bedrijf X
De Registratiekamer is van oordeel dat er geen sprake is van een legitieme doelverstrekking. Bedrijf X gaat voorbij aan het feit dat een dergelijke doelverstrekking slechts is toegestaan wanneer de personeelsadministratie is aangemeld bij de Registratiekamer. Immers artikel 5, lid 6 Besluit genormeerde vrijstelling (Bgv) staat niet toe dat uit een van aanmelding vrijgestelde personeelsadministratie een dergelijke derdenverstrekking van persoonsgegevens plaats vindt (pagina 3 en 4, 98.V. 0525.01, 2 november 1998). Bij de Registratiekamer is geen personeelsadministratie van X aangemeld. Hieruit volgt dat bovengenoemde vertrekking niet aangemerkt kan worden als een rechtmatige doelverstrekking. Verder toetsing van de "due diligence" kan derhalve buiten beschouwing worden gelaten. Concluderend, de Registratiekamer is van oordeel dat in bovenbeschreven situatie door bedrijf X is gehandeld in strijd met artikel 11, eerste lid, Wet persoonsregistraties.

Oordeel van de Registratiekamer met betrekking tot bedrijf Y

De procedure die gevolgd is in het kader van de "due diligence" geeft de Registratiekamer geen aanleiding tot het maken van nadere opmerkingen. Zij wil bedrijf Y echter wel op het volgende wijzen. De heer B heeft tot tweemaal toe bedrijf Y verzocht aan hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens in een registratie bij bedrijf Y zijn opgenomen. Bedrijf Y heeft geen antwoord op deze vraag gegeven. In plaats daarvan heeft zij de heer B verwezen naar zijn eigen werkgever. De Registratiekamer wil bedrijf Y wijzen op de wettelijke verplichting neergelegd in artikel 29, lid 1, Wpr, dat de houder van een persoonsregistratie een ieder op diens verzoek schriftelijk mededeelt of hem betreffende persoonsgegevens in de registratie zijn opgenomen. De argumentatie dat "van de ontvangen informatie noch van de arbeidsovereenkomst een persoonsregistratie is aangelegd" doet hier niet aan af. Het ontslaat bedrijf Y immers niet van de wettelijke verplichting om aan een ieder mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens in een registratie zijn opgenomen. De Registratiekamer is dan ook van oordeel dat bedrijf Y alsnog schriftelijk moet voldoen aan het verzoek van de heer B.

25 augustus 2000, z1999-01026

Publicaties