Vergroot contrast

Onderzoek cameratoezicht bedrijventerrein Vianen

Rechtvaardigen de omvang van de criminaliteit, onveiligheid en overlast op het bedrijventerrein in Vianen de inzet van cameratoezicht op dat bedrijventerrein? Kan men ook met minder ingrijpende middelen nagaan welke motorvoertuigen zich op het terrein bevinden voor, tijdens en vlak na een alarmmelding? Deze vragen stonden centraal bij het onderzoek van het College bescherming persoonsgegevens (CBP) naar het cameratoezicht op een bedrijventerrein in Vianen.

Het CBP concludeert dat er geen aanwijzingen zijn dat de Stichting Beveiliging Bedrijventerrein Vianen (SBBV) in strijd met de door het CBP getoetste vereisten van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) handelt.

Wel heeft de SBBV het recht op inzage uit de wet verkeerd geïnterpreteerd door alleen in te gaan op verzoeken tot inzage van de Officier van Justitie en niet op verzoeken van individuele burgers. Door deze werkwijze handelde de SBBV in strijd met het inzagerecht, aldus het CBP in zijn definitieve bevindingen.

De SBBV heeft naar aanleiding van de voorlopige bevindingen aangegeven het inzagerecht voortaan in overeenstemming met de Wbp te verlenen en derhalve niet alleen in te gaan op verzoeken van de Officier van Justitie. Omdat de inzet van cameratoezicht in de openbare ruimte veel vragen opwerpt, gaat het CBP richtsnoeren opstellen voor cameratoezicht in de openbare ruimte.

Verantwoordelijkheid voor het cameratoezicht

Het CBP heeft bij zijn onderzoek ten eerste gekeken naar wie verantwoordelijke in de zin van de Wbp is voor de camera's: de SBBV of de gemeente Vianen. Het cameratoezicht wordt volgens de SBBV en de gemeente Vianen uitsluitend ingezet om bedrijfseigendommen te beveiligen.

Dit betekent dat niet de Gemeentewet die toeziet op cameratoezicht met als doel de handhaving van de openbare orde van toepassing is, maar de Wbp. De SBBV is dan primair verantwoordelijk voor het cameratoezicht, aldus het CBP. Tegelijkertijd kan de gemeente Vianen zich niet geheel aan haar verantwoordelijkheid onttrekken.

De camera's bij het bedrijventerrein Vianen filmen delen van de openbare ruimte en de met slagbomen afgesloten openbare wegen. Het CBP stelt in zijn definitieve bevindingen vast dat de gemeente Vianen voor dat specifieke gedeelte verantwoordelijk blijft. Het oordeelt dat de gemeente Vianen deze verantwoordelijkheid voldoende heeft gewaarborgd, onder meer doordat de SBBV de gemeentelijke invloed schriftelijk heeft vastgelegd in de statuten.

Noodzakelijkheid cameratoezicht

Het CBP stelt op basis van het onderzoek voorts vast dat de SBBV bij het inzetten van cameratoezicht op het bedrijventerrein in Vianen een adequate belangenafweging heeft gemaakt tussen de belangen van ondernemers en bewoners van bedrijfswoningen op het terrein. De SBBV heeft nauw overleg gehad met de bewoners van de bedrijfswoningen over de plaatsen waar de camera's zijn opgehangen.

Uit de beantwoording van de SBBV blijkt verder dat de camera's effect sorteren: het aantal inbraken is aanzienlijk afgenomen. Uit de aan het CBP getoonde werkwijze blijkt ook dat de SBBV zorgvuldig omgaat met de opgeslagen camerabeelden. Alleen politieambtenaren kunnen de beelden bekijken na in te loggen met een inlogcode en een wachtwoord op een beveiligde 'uitkijkterminal'.

Daarnaast hangen er niet teveel camera's en worden niet meer plaatsen en personen gefilmd dan strikt noodzakelijk is. Ook wordt er alleen tijdens bepaalde periodes gefilmd. Op basis van het bovenstaande concludeert het CBP dan ook dat er geen aanwijzingen zijn gevonden dat de SBBV bij de inzet van het cameratoezicht in strijd handelt met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit van de Wbp.

Inzagerecht

Iedereen die in beeld is gebracht door de camera's op het bedrijventerrein in Vianen kan op grond van zijn inzagerecht vragen die beelden in te zien. Het CBP oordeelt in zijn definitieve bevindingen dat de SBBV het recht op inzage verkeerd heeft geïnterpreteerd door alleen in te gaan op een verzoek tot inzage van de Officier van Justitie en niet op een verzoek van individuen.

Door deze werkwijze handelde de SBBV in strijd met het inzagerecht. De SBBV heeft naar aanleiding van de voorlopige bevindingen al aangegeven dat het inzagerecht voortaan in overeenstemming met de Wbp zal worden geïnterpreteerd en dat niet alleen de Officier van Justitie inzage kan vorderen.

Dit heeft echter niet geleid tot aanpassing in de definitieve bevindingen omdat deze bevindingen betrekking hebben op de situatie ten tijde van het onderzoek ter plaatse. Het is in het licht van de informatieplicht van belang dat het protocol 'inzagerecht burgers' dat de SBBV heeft opgesteld, spoedig openbaar wordt gemaakt, aldus het CBP.